| Onteigening |
|
Onteigening houdt in dat eigendom, meestal onroerend goed, verplicht moet worden verkocht aan de overheid. Onteigening moet worden onderscheiden van confiscatie. Bij confiscatie ontvangt de eigenaar geen vergoeding. Confiscatie wordt toegepast met goederen waarmee een misdrijf is begaan. Als grond wordt onteigend, wordt alles wat daar vast op staat eigendom van de overheid. Er gelden andere regels voor roerende goederen als woonschepen of woonarken. Onteigening kan alleen plaatsvinden nadat het voorstel voldoet aan een aantal criteria, waaronder:
Als een eigenaar het niet eens is met de onteigeningsplannen zal de gemeente (of andere overheid) eerst proberen met de eigenaar tot een oplossing te komen in de vorm van een schadevergoeding voor de grond en de kosten. Lukt dat niet, dan start de gemeente de onteigeningsprocedure. Die bestaat uit een administratieve procedure en een gerechtelijke procedure. Gedurende de administratieve procedure stelt de gemeente het onteigeningsplan officieel vast. Zolang het plan ter inzage ligt, kan de eigenaar bezwaren bij de gemeenteraad kenbaar maken. Is de gemeenteraad akkoord, dan moet het plan nog door de Kroon worden goedgekeurd. Ook daar kan de eigenaar opnieuw zijn zaak bepleiten. Na de administratieve procedure volgt de gerechtelijke procedure bij de rechtbank. Als de rechter op verzoek van de gemeente een onteigeningsvonnis uitspreekt, bekrachtigt hij in feite alleen de administratieve onteigeningsbeslissing en wordt de grond daadwerkelijk onteigend. De rechter stelt dan de vergoeding vast die de gemeente aan de eigenaar moet betalen. Tegen het vonnis van de rechter is in Nederland cassatie mogelijk bij de Hoge Raad. De schadeloosstelling wordt altijd bepaald in geld. De overheid kan de eigenaar eventueel vervangende grond aanbieden. De schadeloosstelling is in ieder geval zo groot als de waarde van het bezit. Daarnaast bestaat een vergoeding voor waardevermindering van ander bezit en voor bijkomende kosten als verhuiskosten en inkomensschade. Onteigening vindt altijd plaats op basis van het gehele bezit. In steden is echter steeds vaker alleen een gedeelte hiervan noodzakelijk. Bij aanleg van een tunnel kan bijvoorbeeld alleen de kelder van een gebouw nodig zijn. Op dit moment (2003) onderzoekt een werkgroep vanuit diverse ministeries hoe de onteigeningsprocedure aangepast kan worden. Daarbij wordt ook gezocht naar wijze waarop de overheid ondergronds zou kunnen onteigenen. voor woonschepen geldt: Als in een later stadium daadwerkelijk over de woonark c.a. moet worden beschikt om de aanleg van een weg etc.mogelijk te kunnen maken en in de tussentijd nog geen overeenstemming is bereikt of mogelijk blijkt, dan zou een Overheidinstantie normaal gesproken tot gerechtelijke onteigening overgaan. Aangezien een woonschip weliswaar een registergoed is, maar geen onroerende zaak, zal onteigening niet mogelijk zijn. De Overheidsinstantie zal dan de vergunningverlenende instantie verzoeken de (ligplaats)vergunning op basis van het algemeen belang in te trekken. Een dergelijke procedure is wel degelijk "bestuursrechtelijk"; bezwaar, beroep en hoger beroep is dan mogelijk. Ook kan de U dan aangeboden/verschuldigde schadeloosstelling door de rechter worden getoetst/vastgesteld. |